Behandelingen

In onderstaand overzicht vindt u de verschillende behandelingen die binnen het CAHAL mogelijk zijn.

Hartritmestoornissen komen voor bij 1 op 250 kinderen en in de meeste gevallen is het hart normaal aangelegd. De meest voorkomende hartritmestoornissen zijn AV re-entry tachycardieën die het gevolg zijn van een extra verbinding tussen de boezems en de kamers van het hart. Via deze extra verbinding kan een lekstroom ontstaan van de hartkamers terug naar de boezems, waardoor de elektrische impuls in cirkels blijft rondgaan en de hartslag plotseling verdubbelt. Dit komt onder meer voor bij het WPW-syndroom.  De hartritmestoornissen komen vaak voor in de maanden rond de geboorte en vervolgens in de periode rond de puberteit. Bij oudere kinderen komen ook AV nodale re-entry tachycardieën frequent voor. Boezem- en kamerritmestoornissen zijn zeldzamer bij kinderen met een normale aanleg van het hart. Hartritmestoornissen bij patiënten met aangeboren hartafwijkingen, als complicatie van destijds uitgevoerde chirurgische correcties, ontstaan meestal pas later op (jong) volwassen leeftijd.

Pediatrisch ablatieprogramma
Met een katheterablatie kan door verhitting of bevriezing via de tip van een ablatiekatheter de locatie van een ritmestoornis effectief worden uitgeschakeld.  Deze techniek werd aanvankelijk in Nederland met terughoudendheid toegepast bij kinderen vanwege de onervarenheid met deze techniek bij deze leeftijdscategorie en het mogelijke verhoogde risico op complicaties. In het CAHAL (LUMC) hebben we ons ingezet om ablatiebehandelingen ook bij jonge kinderen uit te voeren. Door ervaring en de verfijning van de techniek is de afgelopen 25 jaar een groot pediatrisch ablatieprogramma ontwikkeld voor kinderen uit alle leeftijdsgroepen. Het is zelfs mogelijk, indien dit noodzakelijk is, om zuigelingen veilig en effectief te behandelen. De procedures worden uitgevoerd door een van de twee kinderelektrofysiologen (R.A. Bertels, N.A. Blom) die één team vormen met de volwassen elektrofysiologie. Het succespercentage van katheterablaties bij kinderen ligt boven de 95% en de kans op complicaties zijn zeer gering. Bij de ablatieprocedure wordt gebruik gemaakt van 3-dimensionale mapping systemen. Hiermee kan de elektrische activiteit in een 3-dimensionale afbeelding van het hart worden geprojecteerd en kan de juiste plek voor de ablatie nauwkeurig en (bijna) zonder gebruik van röntgenstraling worden bepaald.   

De ablatiebehandeling
Voor een katheterablatie wordt uw kind een of twee dagen opgenomen op de afdeling. Eventuele medicatie voor hartritmestoornissen wordt drie dagen voor de opname gestaakt, tenzij dit anders met jullie is afgesproken. De procedure vindt plaats onder narcose. Bij oudere kinderen vindt de procedure soms onder lokale verdoving plaats.  

Op de opnamedag wordt uw kind voorbereid voor de ablatie en spreken jullie de physician assistant (PA), de behandelend kindercardioloog, de anesthesist en de medisch pedagogisch zorgverlener. Er wordt een ECG en een bloedafname verricht.

De ablatieprocedure vindt plaats op de hartkatheterisatieafdeling. Als uw kind onder narcose is, worden via de ader in de rechterlies en soms ook de linker lies ‘sheaths’ ingebracht.  Dit zijn holle buisjes met een ventiel waardoor de elektrodekatheters naar het hart worden opgeschoven. Een elektrodekatheter is een slangetje met elektrodes aan de tip dat door de aders naar het hart kan worden opgeschoven. Deze elektrodekatheters worden in de rechterboezem en rechterkamer van het hart geplaatst. Op deze manier kan het prikkelgeleidingssysteem worden doorgemeten, de ritmestoornis worden opgewekt en de oorsprong van de ritmestoornis worden gelokaliseerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van computersignalen. Dit deel van de procedure wordt een elektrofysiologisch onderzoek (EFO) genoemd. Als blijkt dat de oorsprong van ritmestoornis zich aan de linkerhelft van het hart bevindt, wordt via een punctie (prikje) in het boezemtussenschot (foramen ovale) een katheter in de linkerboezem geplaatst. Voor de optimale veiligheid wordt dit onder echocontrole gedaan. Bij jonge kinderen gebeurt dit via een slokdarmecho, bij oudere kinderen via een echokatheter die via de linker lies wordt geplaatst.   

Wanneer de locatie van de ritmestoornis is gevonden, wordt de tip van een stuurbare ablatiekatheter tegen de hartspier aangelegd. Door verhitting of bevriezing via de tip van de katheter (ablatie) wordt een littekentje gevormd waardoor de oorsprong van de ritmestoornis effectief wordt uitgeschakeld. Na een succesvolle ablatie wordt een half uur gewacht om zeker te zijn dat de ritmestoornis wegblijft. Gemiddeld duurt de gehele behandeling, inclusief de in- en uitleiding van de narcose drie uur.  Bij aanvang van de procedure wordt een bloedverdunner (heparine) via het infuus gegeven en na afloop van de procedure wordt een langwerkende bloedverdunner (fraxiparine) onder de huid toegediend.

Na de behandeling wordt de lies lokaal verdoofd en de sheaths en katheters worden uit de lies verwijderd. Er wordt een drukverband of een ‘safeguard’ in de lies geplaatst. Een safeguard is een pleister met een ballonnetje dat wordt opgeblazen en als een drukverband functioneert. Vier uur later wordt op de afdeling de lucht uit het ballonnetje gehaald.  Na procedure gaat uw kind naar de verkoever (uitslaapkamer), waar u bij kunt zijn als hij of zij goed wakker is en kort hierna gaat uw kind weer naar de kinderafdeling.  Op de afdeling wordt een ECG en soms een echocardiogram gemaakt. Er wordt gestart met Ascal (lichte bloedverdunner) dat na de procedure gedurende twee tot drie maanden wordt gebruikt. Ontslag uit het ziekenhuis volgt dezelfde avond of de volgende ochtend.  Na drie maanden wordt een controle afspraak gepland op de polikliniek van het LUMC of Amsterdam UMC of van het verwijzend ziekenhuis.

Ablatie

Een ablatie is een techniek waarbij met behulp van een katheter met opzet hartweefsel plaatselijk wordt beschadigd. Hiermee kan de oorzaak van een abnormaal hartritme worden weggenomen.

De behandeling 

Voor een katheterablatie wordt u drie tot vijf dagen opgenomen op de Verpleegafdeling, afhankelijk van het soort ablatie. Op de opnamedag wordt u voorbereid voor de ablatie, die de volgende dag plaatsvindt.

De behandeling vindt plaats op de Hartkatheterisatieafdeling. Onder plaatselijke verdoving wordt uw rechter- en soms ook linkerlies aangeprikt. Vervolgens brengt de cardioloog een ‘sheath’ aan. Een sheath is een hol buisje met een ventiel waardoor de katheters naar het hart worden opgeschoven. Een katheter is een soort slangetje dat door de aderen naar het hart kan worden opgevoerd. De cardioloog voert de katheter via de ader omhoog langs de hartspier om zo de oorsprong van de ritmestoornis te lokaliseren. Hierbij wordt gebruik gemaakt van computersignalen.

Wanneer de locatie van de ritmestoornis is gevonden, wordt de punt van de katheter op die plaats tegen de hartspier aangelegd en verhit, waardoor een littekentje ontstaat. Dit littekentje kan prikkels niet meer voortgeleiden zodat de ritmestoornis niet meer kan optreden. Tijdens deze behandeling kunt u een branderige pijn op de borst voelen. Die pijn verdwijnt na korte tijd vanzelf weer.

Meestal is het nodig om meerdere malen te branden. Om te controleren of de ritmestoornis definitief weg is, zal worden geprobeerd om de ritmestoornis op te wekken. Dit opwekken gebeurt op de zelfde manier als tijdens een elektrofysiologisch onderzoek (EFO). Is de ritmestoornis nog opwekbaar, dan zal de behandeling worden voortgezet totdat de ritmestoornis niet meer op te wekken is. Afhankelijk van de soort ablatie duurt de behandeling één tot vier uur.

Na de behandeling

Als het onderzoek klaar is, worden de katheters verwijderd. De sheaths blijven achter in de lies en worden afgeplakt. De verpleegkundige legt een drukverband om de lies aan. Als u terug bent op de afdeling, mag u gewoon eten en drinken. Zolang de sheaths in uw lies zitten moet u plat blijven liggen.

De sheaths worden na ongeveer vier uur uit de lies verwijderd. De zaalarts drukt dan gedurende tien minuten de lies af en u krijgt een drukkende pleister. Deze blijft ongeveer vier uur zitten en zolang moet u uw been stil laten liggen. Bij sommige ablaties worden de sheaths direct na het einde van de procedure op de hartkatheterisatiekamer verwijderd. Er wordt ter controle bij u nog een ECG (hartfilmpje) gemaakt.

Nazorg

De dag na de ablatie wordt er bloed afgenomen en er wordt een ECG (hartfilmpje) en een echo gemaakt. Tevens zal er voor u een afspraak worden gemaakt om vier tot zes weken na de ablatie op de polikliniek te komen.

Elektrofysiologisch onderzoek

Wanneer een ECG niet genoeg informatie geeft over de oorzaak van de hartritmestoornis kan een elektrofysiologisch onderzoek uitkomst bieden. 

Tijdens het elektrofysiologisch onderzoek (EFO) wordt geprobeerd een hartritmestoornis kunstmatig op te wekken door bepaalde plaatsen van de hartspier met elektrische prikkels te stimuleren. Hierdoor krijgt de cardioloog meer informatie over de oorzaak van de hartritmestoornis en over de plek waar deze in het hart ontstaat. Aan de hand van deze bevindingen kan de cardioloog bepalen welke behandeling voor u het meest geschikt is.

Algemeen

Voor een elektrofysiologisch onderzoek wordt u 1 tot 2 dagen opgenomen.

Als u zwanger bent, moet u dit van tevoren aangeven. Tijdens het elektrofysiologisch onderzoek wordt namelijk gebruik gemaakt van röntgenstraling die voor u niet schadelijk is, maar wel voor het ongeboren kind. Wanneer de opnameperiode samenvalt met uw menstruatie, moet u dit doorgeven aan de secretaresse. Tijdens het EFO wordt namelijk gebruik gemaakt van heparine, een bloedverdunnend middel

Voorbereiding

Het kan zijn dat u enkele dagen voor de opname moet stoppen met het innemen van bepaalde medicijnen. Hierdoor kan de cardioloog de ritmestoornis tijdens het onderzoek gemakkelijker oproepen. Als dit het geval is, zal de cardioloog dit vooraf met u bespreken. Wanneer u antistollingsmiddelen gebruikt, zoals de medicijnen Marcoumar en Sintrommitis, moet u de trombosedienst op de hoogte stellen van uw opname.

Met uitzondering van een licht ontbijt (twee beschuitjes en een kopje thee) dient u voorafgaand aan het onderzoek nuchter te zijn. Verder zal de verpleging uw liezen scheren om een mogelijke infectie te voorkomen. Mocht u erg tegen het onderzoek opzien, dan kunt u kalmerende medicijnen krijgen.

Het onderzoek

Het elektrofysiologisch onderzoek vindt plaats op de Hartkatheterisatieafdeling. Op de hartkatheterisatiekamer neemt u plaats op de behandeltafel. Hier krijgt u ECG-stickers op uw borst geplakt zodat het hartritme in de gaten kan worden gehouden. Na desinfectie van de liezen wordt u afgedekt met steriele lakens. Tijdens het onderzoek worden een aantal dunne draden, ofwel elektrodekatheters, via de bloedvaten naar het hart opgeschoven. Meestal worden de aders, na lokale verdoving, in de (rechter)lies aangeprikt. Vervolgens brengt de cardioloog hulsjes, zogenaamde sheaths, aan. Via deze hulzen worden de elektrodekatheters met behulp van röntgenapparatuur naar het hart geleid. Hier voelt u niets van.

Wanneer de katheters op hun plek liggen worden deze aangesloten op speciale ECG-apparatuur. De cardioloog zal nu eerst een aantal keer het normale hartritme meten. Vervolgens wordt uw hartritmestoornis kunstmatig opgewekt. Dit kan door middel van prikkels via de elektrodekatheters, maar er kunnen ook medicijnen worden toegediend. U kunt voelen dat uw hart sneller slaat, overslaat, of in de keel klopt. Soms kunt ook duizelig worden. De ritmestoring wordt op een ECG vastgelegd.

Aan de hand van de metingen kan de cardioloog bepalen welke behandeling voor u nodig is. Wanneer de opgewekte ritmestoornis niet vanzelf overgaat, zal de cardioloog het hart door middel van medicatie of prikkels in het normale hartritme terugbrengen. Hierna volgt in sommige gevallen ook direct de behandeling.

Het onderzoek kan 1 tot 5 uur duren.

Nazorg

Als alle metingen zijn vastgelegd, worden de elektrodekatheters en hulzen verwijderd. De arts drukt gedurende 10 minuten de aangeprikte lies af en u krijgt een drukkende pleister. U kunt nu terug naar de verpleegafdeling.

Het drukverband moet ongeveer vier uur blijven zitten. Gedurende deze vier uur mag u niet uit bed en moet u uw been stilhouden. Na vier uur wordt het verband verwijderd en mag u weer uit bed.

Wanneer alles naar wens verloopt, mag u dezelfde dag nog naar huis. Het is verstandig dat iemand u ophaalt uit het ziekenhuis, want u mag niet autorijden of fietsen. Ook in de eerste dagen na het onderzoek mag u niet sporten of zwaar tillen.

Heeft u na het lezen van deze informatie nog vragen? Neem dan contact met ons op.

De afdeling Verloskunde van het LUMC is een landelijk centrum voor prenatale behandelingen. De vroege opsporing van hartaandoeningen kan ook de mogelijkheid bieden om deze in uitzonderlijke gevallen tijdens de zwangerschap te behandelen en hiermee de ontwikkeling van de hartafwijking voor de geboorte gunstig te beïnvloeden.

Foetale aortaklep- en longslagaderklepstenose
Door een ernstige vernauwing van een aortaklep of de longslagaderklep vroeg in de zwangerschap kan de ontwikkeling van één van de twee hartkamers achterblijven, waardoor een éénkamerhart ontstaat. Ook kan de foetus overlijden ten gevolge van hartfalen.
Met een foetale hartkatheterisatietechniek is het mogelijk om de vernauwde hartklep op te rekken, waardoor de ontwikkeling en de functie van de hartkamer gunstig kan worden beïnvloed. Deze experimentele behandeling wordt enkele malen per jaar in het LUMC uitgevoerd door een team van specialisten bestaande uit verloskundigen, kindercardiologen en echoscopisten. Voor deze techniek wordt het hart van de foetus in de baarmoeder met een naald aangeprikt door de buik van de moeder en via deze naald wordt een ballonkatheter opgevoerd en opgeblazen in de vernauwde hartklep. De ingreep wordt bij een zwangerschapsduur van 20 tot 28 weken uitgevoerd.  De ingreep is geslaagd als de onderontwikkelde hartkamer zich herstelt. Na de geboorte is in de meeste gevallen een grote openhartoperatie of katheterbehandeling noodzakelijk om de hartklepfunctie te herstellen.

Hartritmestoornissen
In de foetale periode kunnen hartritmestoornissen (supraventriculaire tachycardieën) optreden en wanneer deze langdurig aanhouden kan de foetus ten gevolge van hartfalen overlijden. Door de moeder te behandelen met een anti-aritmisch geneesmiddel dat de placenta passeert, kan in de meeste gevallen de ritmestoornis bij de foetus effectief worden behandeld. Echter, bij het falen van deze behandeling kan bij de foetus ook rechtstreeks via een punctie in de navelstreng een anti-aritmisch geneesmiddel worden toegediend.  Deze levensreddende behandelingen werden meerdere keren succesvol uitgevoerd in het LUMC.

Binnen het CAHAL worden hartkatheterisaties bij kinderen (vanaf geboorte tot 18 jaar), door een speciaal team van kindercardiologen (kinderinterventiecardiologen) verricht, op de hartkatheterisatie afdelingen van het LUMC en Amsterdam UMC locatie Meibergdreef.

In nauwe samenwerking met de afdelingen kinder intensive care, neonatologie, cardiologie, thoraxanesthesie en kinderhartchirurgie kunnen in het LUMC 24-uur per dag spoedhartkatheterisaties bij ernstig zieke kinderen worden uitgevoerd. Planbare hartkatheterisaties worden in de regel van tevoren binnen de wekelijkse hartteambespreking besproken en daarna ingepland.

Hartkatheterisaties bij kinderen vinden plaats onder algehele anesthesie. Als het kind in slaap is gebracht door de anesthesioloog, wordt veelal in de lies, via de ader en slagader toegang verkregen tot het hart- en vaatstelsel. Via deze toegang zal de kinderinterventiecardioloog met katheters via de bloedvaten het hart bereiken, om daar het werk te doen.  

Na de hartkatheterisatie wordt de toegang in de lies verwijderd, pijnstilling in de lies gegeven en een drukverband aangelegd. Kinderen gaan vervolgens via de uitslaapkamer (verkoever) terug naar de kindercardiologie afdeling. Op de afdeling moeten de kinderen nog een nacht slapen aan de monitor, een kastje dat o.a. het hartritme, zuurstofspanning en ademhaling continu registreert. Soms moet gestart worden met bepaalde medicijnen, dit hangt af van de soort hartkatheterisatie die is uitgevoerd. De dag na de hartkatheterisatie wordt het drukverband verwijderd. Vaak moet er nog een controle echocardiogram en een röntgenfoto van het hart en de longen worden gemaakt, voor het kind weer naar huis mag.   

Globaal zijn er drie soorten hartkatheterisaties:

1). Diagnostisch hartkatheterisaties
Deze hartkatheterisaties worden verricht om goed en gedetailleerd inzicht te krijgen in de bouw (anatomie) en de werking van het hart (hemodynamiek). Tijdens deze procedure worden vaak het hart en de bloedvaten die van en naar het hart lopen in beeld gebracht. Daarnaast wordt de bloeddruk en zuurstofgehalte met katheters gemeten in de verschillende hartkamers en bloedvaten. De gegevens die tijdens deze procedure worden verkregen worden gebruikt om een goed behandelplan voor de hartaandoening van een kind te kunnen maken.

2). Interventionele hartkatheterisaties
Tijdens deze hartkatheterisaties wordt, zoals de naam al doet vermoeden, een interventie/ behandeling verricht van een hartaandoening. Deze behandelingen kunnen in sommige gevallen een hartoperatie of een re-operatie vervangen, of de patiënt in een betere uitgangssituatie voor een geplande operatie brengen.  Er zijn vele behandelingen met een hartkatheterisatie mogelijk, deze worden aangeboden binnen het CAHAL:

  • Rashkind ballonatrioseptostomie
  • Ballondilatatie van pulmonalisklep en –pulmonaal arteriën
  • Ballondilatatie van aortaklep en aortaboogobstructie bij (re-)coarctatio aortae
  • Stentimplantatie in vernauwde pulmonaal- en systeemarteriën
  • Stentimplantatie in de ductus arteriosus vooral in het kader van hybride behandelingen
  • Heropenen of sluiten van shunts en andere verbindingen tussen bloedvaten
  • Sluiten van atriumseptumdefecten en
  • Sluiten van een fenestratie in de Fontantunnel
  • Sluiten van een persisterende ductus arteriosus met verschillende technieken
  • Sluiten van ventrikelseptumdefecten
  • RF-perforatie van de pulmonalisklep
  • Percutane pulmonalisklepvervanging

3). Hybride procedures
Een innovatie van de laatste jaren zijn de zogenaamde “hybride ingrepen” waarbij de kinderinterventiecardioloog en kinderhartchirurg samen of vlak achter elkaar een ingreep bij dezelfde patiënt uitvoeren. De toegang tot het hart is hier vaak via de open chirurgische wond, waardoor problemen door kleine (slag-)aders vermeden kunnen worden. Hybride ingrepen vinden afhankelijk van de aard van de ingreep plaats op de hybride hartkatheterisatiekamer of operatiekamer van het cardiovasculair interventie centrum (CVIC) van het LUMC.

De voorbereiding van kinderen op een hartkatheterisatie is belangrijk. Naast de kinderinterventiecardiologen, kinderanesthesiologen, zaalartsen en verpleegkundigen hebben de medisch pedagogisch zorgverleners een belangrijke rol.

Hartkatheterisatie

Bij een hartkatheterisatie wordt met behulp van röntgenstraling en contrastvloeistof een afbeelding van de kransslagaderen van het hart verkregen. Ook kan de linkerhartkamer in beeld gebracht worden en kan de druk in het hart worden gemeten. Op deze manier kunnen vernauwingen in de kransslagaderen gezien worden. Deze vernauwingen kunnen de oorzaak zijn van klachten zoals pijn op de borst.

Het onderzoek wordt niet alleen uitgevoerd wanneer u klachten heeft. Ook voor bijvoorbeeld een operatie aan de hartkleppen zal een hartkatheterisatie worden uitgevoerd.

Voorbereiding

Bijzondere voorbereidingen zijn voor dit onderzoek niet nodig. U moet erop rekenen dat u voor het onderzoek de hele dag in het ziekenhuis bent. Bent u zwanger, meldt u dit dan. Tijdens de hartkatheterisatie wordt namelijk gebruik gemaakt van röntgenstraling die voor uzelf niet schadelijk is, maar wel voor het ongeboren kind.

Op de dag van het onderzoek moet u nuchter zijn. U kunt uw medicijnen innemen zoals u dat gewend bent. Wanneer u suikerziekte heeft, moet in sommige gevallen uw medicatie aangepast worden. Als dit bij u het geval is, zal uw arts dit met u bespreken. Wanneer u antistollingsmedicijnen gebruikt, zoals Marcoumar en Sintrommitis, moet u de trombosedienst op de hoogte stellen van uw opname. Als u allergisch bent voor contrastvloeistof, moet u dit van tevoren aangeven. Wanneer u een verminderde nierfunctie heeft, dient u vanwege de belasting van de contrastvloeistof voorbehandeld te worden.

Het onderzoek

Tijdens het onderzoek ligt u op een behandeltafel. U wordt, vanwege het steriel werken voor een deel afgedekt met een laken. Bij het onderzoek is het nodig toegang te krijgen tot de bloedvaten. De cardioloog doet dit door in de lies of in de pols in de slagader te prikken en een dun buisje te plaatsen. Dit gebeurt onder plaatselijke verdoving. Hierna kunnen via dit buisje slangetjes naar het hart worden gevoerd waarmee metingen kunnen worden verricht en waardoor contrastvloeistof kan worden gespoten. Wanneer de cardioloog de contrastvloeistof in een kransslagvat spuit, maakt hij daar met de röntgenstraling filmopnames van. De contrastvloeistof kan een warm gevoel geven wanneer het ingespoten wordt. Hierna volgt in sommige gevallen ook een behandeling.

Als het onderzoek klaar is, wordt het buisje uit de slagader verwijderd. Hierna moet om te voorkomen dat u blijft bloeden, het prikgat van de slagader een tijd lang dichtgedrukt worden. Vervolgens wordt een drukverband aangebracht dat een aantal uur blijft zitten om te zorgen dat het bloedvat goed kan genezen. Als u in de lies bent geprikt, krijgt u in plaats daarvan soms een oplosbaar plugje of u dient in die tijd op uw rug te blijven liggen. Na een aantal uur mag het verband eraf. Als het bloedvat goed dicht is, mag u vervolgens naar huis.

Nazorg

Als u naar huis gaat moet u, om te zorgen dat het bloedvat goed herstelt, een aantal dagen het been waarin de lies is aangeprikt zo min mogelijk belasten. Hoewel de kans klein is, kan er soms een nabloeding ontstaan. U dient daarom de eerste week voorzichtig te zijn met inspanningen. U mag niet sporten, een aantal dagen niet autorijden en ook niet zwaar tillen.

Mogelijke complicaties

Doordat er via een bloedvat katheters naar het hart worden gebracht, kunnen er bloedingen ontstaan. Vaak blijven deze beperkt tot een blauwe plek op de plaats van het aanprikken. De kans op andere complicaties is een stuk kleiner, maar er kan schade aan het hart ontstaan, of er kunnen ritmestoornissen ontstaan. Ook kan er een beroerte voorkomen. 

Heeft u na het lezen van deze informatie nog vragen? Neem dan contact met ons op.

U heeft onlangs van de kindercardioloog gehoord dat uw kind voor een hartoperatie in aanmerking komt. Daarom staat uw kind nu op de CAHAL wachtlijst van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).  

Een hartoperatie is niet alleen voor uw kind, maar ook voor u heel ingrijpend. Om dit goed te kunnen begeleiden werkt er op de afdelingen Kindercardiologie (Bos) en de Intensive Care Kinderen, een team bestaande uit kinderartsen, kindercardiologen, kinderhartchirurgen, physician assistants kindercardiologie, kinderverpleegkundigen, intensive care-verpleegkundigen, medisch pedagogisch zorgverleners, fysiotherapeuten, diëtisten en maatschappelijk werkers. Ook kan er indien u dat wenst, een pastoraal medewerker worden ingeschakeld. U moet bij het lezen van deze informatie bedenken dat iedere patiënt anders is en dat het kan voorkomen dat er, van wat u heeft gelezen, wordt afgeweken. We zeggen u dit om onnodige verwarring te voorkomen.  

De wachttijd

Wanneer de beslissing voor een hartoperatie is genomen, volgt er vaak een wachttijd. De wachttijd begint op het moment dat de aanmeldingsbrief van de kindercardioloog, waarin ook de toestemming van de ouders is vermeld, bij de afdeling is binnengekomen.

De lengte van de wachttijd wordt o.a. bepaald door acute noodzaak van een operatie en het geschatte risico dat, door het wachten, kan ontstaan. Dit wordt per patiënt vastgesteld door een overleg tussen de kindercardioloog en de kinderhartchirurg. Indien het risico voor uw kind gedurende de wachttijd groter lijkt te worden, kan de wachttijd via uw kindercardioloog zo nodig verkort worden. U moet dus contact opnemen met de kindercardioloog als u denkt dat er iets in de toestand van uw kind is veranderd.  

Enerzijds wilt u dat uw kind zo snel mogelijk geopereerd wordt, anderzijds ziet u er misschien tegenop. Dit is gedurende de wachttijd van invloed op uw dagelijks leven. Voor uw gezin en voor uw directe omgeving kan dat spanningen opleveren.

Met eventuele vragen (zoals vragen over werk, financiën of voor psychosociale begeleiding) kunt u altijd terecht bij de maatschappelijk werker van de afdeling. Ook als u tijdens de opname behoefte heeft aan maatschappelijk werk kunt u via de verpleging van de kindercardiologieafdeling hulp van maatschappelijk werk vragen.

Als uw kind opgeroepen wordt

Het operatieprogramma wordt eenmaal per week vastgesteld. Iedere donderdag belt de secretaresse van het Kinderhartcentrum in Leiden de ouders van de patiënten op, die in de week daarna worden geopereerd. Tijdens dit telefoongesprek hoort u op welke dag uw kind wordt geopereerd.

Eén dag voor de operatie vindt de opname plaats. Alleen als de operatie op maandag is, dan is de opname op de vrijdag ervoor. Bij opname op vrijdag mag uw kind aan het eind van de middag weer mee naar huis tot zondagavond 19.00 uur.

Het kan altijd voorkomen dat de operatie tijdelijk moet worden uitgesteld, omdat er geen plaats is op de afdeling Intensive Care en/ of kindercardiologieafdeling, of omdat er een spoedoperatie tussen komt. 

Wanneer u gebeld wordt voor opname, is het van belang dat u het ons meldt als uw kind verkouden is, hoest of een temperatuur heeft boven de 38 graden Celsius. De operatie kan dan misschien niet doorgaan omdat de risico’s van narcose groter worden en omdat eventuele infecties ook de periode van herstel negatief beïnvloeden.

Als uw kind kortgeleden ingeënt is tegen een kinderziekte is het van belang te weten dat er een bepaalde tijd moet liggen tussen de inenting en de operatie:

  • D(K)TP (1 week)
  • HIB (1 week)
  • BMR (2 weken)
  • Meningokokken C (1 week)
  • Hepatitis B (1 week)

Als er thuis of op school, crèche of kleuterdagverblijf kinderziekten heersen, zoals rode hond of waterpokken, moet u dat ook doorgeven. Er wordt naar gestreefd uw kind in een zo goed mogelijke conditie te opereren en we willen besmetting van andere kinderen met deze kinderziekten, zo mogelijk voorkomen. Indien u vóór de operatie nog belangrijke plannen heeft (bijvoorbeeld een vakantie), wilt u dan zelf contact opnemen met de secretaresse van het Kinderhartcentrum in Leiden?  

In principe blijft uw kind tot aan de opname alle medicijnen gebruiken (indien van toepassing). Indien uw kind antistolling gebruikt (Sintrom, Marcoumar, Ascal), vindt hierover overleg plaats tussen de kindercardioloog en de kinderhartchirurg. U wordt bij de telefonische oproep voor de operatie geïnformeerd of deze gestopt moet worden en wanneer. 

De opname

Kinderen van alle leeftijden worden opgenomen op de kindercardiologie afdeling (Bos) op J-6-P. 

Op de opnamedag komen de volgende zaken aan de orde:

Een opnamegesprek met één van de verpleegkundigen.

De volgende onderzoeken: bloedafname (bij kinderen jonger dan 6 maanden wordt ook bij de moeder bloed afgenomen), ECG (hartfilmpje), röntgenfoto van hart/longen en een echo van het hart.

Een zaalarts (kinderarts in opleiding of physician assistant) onderzoekt uw kind nadat (meestal eerst) een co-assistent is langs geweest. Met eventuele vragen kunt u bij hem/ haar terecht.

Eén van de ouders mag tijdens de inleiding, het in slaap brengen voor de operatie, mee met het kind. Op de kindercardiologie afdeling worden u en uw kind voorbereid op de operatie door een medisch pedagogisch zorgverlener. Dit gaat in overleg met u. Zij zal hiervoor gebruik maken van diverse materialen en eventueel een fotoboek.

Na de operatie gaat uw kind een aantal dagen naar de Intensive Care. Als u wilt, kunt u in overleg met de verpleegkundige op de opnamedag de Intensive Care alvast een keer bekijken.

’s Middags of ’s avonds komt de kinderhartchirurg  de operatie van uw kind bespreken.

De anesthesioloog komt in de loop van de middag. Deze arts heeft de zorg over de narcose en spreekt de volgende zaken met u en uw kind af:

Hoe uw kind in slaap gebracht wordt; met een prik of een kapje.

Eventueel slaapmedicatie voor de nacht vóór operatie (bij grote kinderen).

Vanaf hoe laat uw kind niet meer mag eten en drinken.

De medicijnen die uw kind krijgt op de ochtend van de operatie (pre-medicatie).

Gedurende de hele operatie zal de anesthesioloog aanwezig zijn en zal de situatie van uw kind continu in de gaten gehouden worden met behulp van de uitgebreide bewakings- en controle-apparatuur. 

De operatiedag

Een medisch pedagogisch zorgverlener of een verpleegkundige gaat samen met u (één van de ouders) naar de operatiekamer. U blijft samen bij uw kind tot het in slaap is gebracht. 

Na de inleiding van de operatie pakt u alle spullen van uw kind en uzelf in. In verband met het verblijf van uw kind op de Intensive Care wordt de plek op de verpleegafdeling voor een ander kind gebruikt. Hierna kunt u naar huis of het Ronald McDonaldhuis gaan. Wij bellen u zodra de operatie klaar is. U kunt ook op de afdeling wachten in de ouderkamer. Als er broertjes of zusjes bij zijn, kan dat op de Daktuin op J6.  

Als u nog borstvoeding geeft, adviseren wij u te kolven op de tijden dat uw kind normaal gesproken drinkt. Er is een elektrisch kolfapparaat van het merk Medela en kolfruimte aanwezig in het Willem Alexander kinderziekenhuis. Graag wel uw eigen kolfset meenemen. Als u het prettig vindt, mag u ook uw eigen kolfapparaat meenemen. Op de afdeling waar uw kind ligt opgenomen, kunt u de afgekolfde moedermelk afgeven, zodat uw kind dit op een later tijdstip kan krijgen.  

De verpleegafdeling waar uw kind opgenomen lag, wordt gebeld zodra de operatie klaar is. De verpleegkundige informeert u zo spoedig mogelijk en brengt u naar de Intensive Care. Daar komt ook de kinderhartchirurg, die u informeert over het verloop van de operatie. 

De Intensive Care

Op de Intensive Care liggen bijna alle kinderen, ook baby’s, in een groot bed. Uw kind wordt vaak nog in slaap gehouden als u het voor het eerst ziet na de operatie. Uw kind kan bleek zijn en nog wat koud aanvoelen. Er is veel elektronische apparatuur aanwezig die nodig is om uw kind te behandelen en te bewaken en uw kind ligt aan veel verschillende ‘lijnen’.

De apparatuur en ‘lijnen’ die u kunt verwachten:

  • Uw kind wordt beademd door een machine. Uw kind wordt hiervoor in slaap gehouden, zodat daar geen hinder van wordt ondervonden. Uw kind kan niet praten en dus ook niet huilen, omdat de beademingsbuis tussen de stembanden zit.
  • Uw kind ligt aan allerlei bewakingsapparatuur om onder andere de temperatuur, de bloeddruk, het hartritme, de ademhaling en het zuurstofgehalte in het bloed in de gaten te houden.
  • Uw kind krijgt vocht, medicijnen en eventueel voeding door de infusen.
  • Uw kind heeft een maagsonde (slangetje via de neus naar de maag). Deze is onder andere voor medicatie en voeding, als de maag van uw kind dit al kan verdragen. Voor zuigelingen wordt hier flesvoeding of moedermelk voor gebruikt, voor oudere kinderen is dit speciale vloeibare voeding.
  • Uw kind heeft een wonddrain om overtollig wondvocht af te laten lopen en in de gaten te kunnen houden hoeveel wondvocht uw kind verliest.
  • Uw kind heeft een blaaskatheter, om de urineproductie nauwkeurig te kunnen meten.
  • Er wordt mogelijk gebruik gemaakt van meer apparatuur. De verpleegkundigen en artsen op de Intensive Care kunnen u hier alles over vertellen. 

Ieder kind reageert anders op de operatie. De soort en duur van de operatie en de snelheid van het herstel bepalen mede hoe lang uw kind beademd wordt. Als uw kind goed opknapt, wordt geprobeerd of het weer zelf kan ‘mee ademen’ met de beademingsmachine. Pas als het goed zelf ‘mee ademt’ wordt het buisje uit de keel verwijderd. Infusen, wonddrains, blaaskatheters worden verwijderd zodra dit mogelijk is. De artsen en verpleegkundigen houden hierbij uw kind goed in de gaten.  

Als alles goed gaat kan uw kind naar de verpleegafdeling terug. Bij grote operaties kan het verblijf op de Intensive Care langer duren. De kindercardioloog of kinderhartchirurg kan soms van te voren een inschatting van de verblijfsduur geven.

Het is mogelijk dat uw kind met infusen, wonddrains, blaaskatheters en hartbewaking terug naar de kindercardiologie afdeling (Bos) gaat.

De kindercardiologie afdeling (Bos)

Terug op de kindercardiologie afdeling betekent dat het al een stuk beter gaat met uw kind, maar dat het nog wel medische zorg nodig heeft en verder moet herstellen van de operatie. Op de verpleegafdeling is het de bedoeling dat uw kind zo snel mogelijk weer in het dagelijkse ritme komt. Dat wil zeggen: Uit bed, spelen en eventueel naar de ziekenhuisschool. U zult merken dat uw kind daar heel snel toe in staat is, ondanks de operatiewond op de borst.

In samenwerking met de verpleegkundigen gaat u langzaam de zorg voor uw kind weer overnemen. Mogelijk komt de fysiotherapeut bij uw kind om ademhalingsoefeningen te doen, om te helpen met het uit bed komen en het uithoudingsvermogen bij de dagelijkse activiteiten weer op te bouwen.

Sommige kinderen zijn bij terugkeer op de afdeling hun dag- en nachtritme kwijt. Ze zijn onrustig, geprikkeld, angstig, in de war of zien dingen die er niet zijn. Zo’n reactie is vaak heel normaal en verdwijnt na enkele dagen. Hoe lang uw kind op de verpleegafdeling moet blijven is ook weer afhankelijk van de soort operatie en het herstel van uw kind. Er wordt gestreefd uw kind zo spoedig mogelijk weer met u naar huis te laten gaan. Het is ook mogelijk dat uw kind na enkele dagen wordt teruggeplaatst naar het verwijzend medisch centrum zoals locatie Amsterdam UMC van het CAHAL.  

Ontslag uit het ziekenhuis

Als het herstel zover gevorderd is, dat er voor uw kind geen grote risico’s meer bestaan en u de zorg over kunt nemen, mag uw kind naar huis. Vlak voor het ontslag heeft u nog een gesprek met één van de kindercardiologen. De verpleegkundige houdt met u een ontslaggesprek en geeft u de folder over informatie na een hartoperatie bij kinderen mee. U krijgt uitleg waar u thuis op moet letten en adviezen over de zorg voor thuis. Ook als uw kind met bijvoorbeeld medicatie naar huis gaat, wordt dit voor u geregeld.

Uw kind blijft onder controle bij de kindercardioloog, waarvan de eerste afspraak meestal 1-2 weken na ontslag is.  

Thuis

In het begin zal de thuiskomst en het verdere herstel nog wel tegen kunnen vallen. Uw kind kan nog snel moe en uit zijn ritme zijn. Dit is heel normaal na een dergelijk, grote ingreep. Het is belangrijk uw kind zo snel mogelijk in zijn dagelijkse ritme te laten komen. Informatie hierover vindt u in de folder informatie na een hartoperatie bij kinderen

Als u na het lezen van deze folder nog vragen heeft, kunt u deze stellen tijdens een bezoek aan de kindercardioloog of bellen met de secretaresse van het kinderhartcentrum

Openhartoperatie

Onder een openhartoperatie worden operatieve ingrepen aan het hart of de grote bloedvaten in de borstkas verstaan. Voorbeelden van een openhartoperatie zijn omleidingsoperaties (bypass-operaties), operaties aan één of meerdere hartkleppen (klepoperaties) en operaties aan de grote lichaamsslagader (aorta) in de borstkas.

Voor de operatie

Enige tijd voordat u zult worden opgenomen voor uw operatie, wordt u door het Planningssecretariaat opgeroepen voor een pre-operatieve polidag. Op deze dag vinden een aantal voorlichtings- en opnamegesprekken plaats:

  • Voorlichting en opnamegesprek door een verpleegkundige 
  • De “physician assistant” of arts-assistent doet lichamelijk onderzoek, bespreekt in grote lijnen de opname, de operatie en het te verwachten postoperatieve traject
  • De fysiotherapeut bespreekt met u de ademhalingstraining en revalidatie

Ook vinden de volgende onderzoeken plaats:

  • bloedafname
  • röntgenfoto van hart en longen
  • ECG (hartfilmpje)
  • meten van bloeddruk, temperatuur, hartslag, lengte en gewicht

Aan het einde van de dag zal het planningssecretariaat met u de periode afspreken waarin uw operatie plaats zal vinden. Over de concrete operatiedatum en tijdstip van opname wordt u vervolgens gebeld. 

Anesthesie

De dag voor uw geplande operatie heeft u een gesprek met de anesthesioloog. Hij/zij heeft voorafgaande aan dit gesprek alle voor handen zijnde gegevens bestudeerd. Het kan zijn dat de anesthesioloog u nog aanvullende vragen stelt of bepaalde zaken nog eens ter controle met u doorneemt.

Indien u bijkomende ziekten of aandoeningen heeft, is het soms noodzakelijk dat de anesthesioloog om aanvullende informatie of advies vraagt aan een andere specialist. De anesthesioloog spreekt met u af welke medicatie u op de dag van de ingreep niet krijgt en of u eventueel andere/extra medicatie zal krijgen. Ook wordt met u avond- en premedicatie besproken.

Vervolgens zal de anesthesioloog met u bespreken wat u van de anesthesie, de voorbereidingen hierop en de fase na de operatie kunt verwachten.

Indien u bij eerdere operaties problemen heeft gehad met de anesthesie adviseren wij u om dit alvast door te geven aan de physician assistant of de arts-assistent tijdens uw preoperatieve bezoek aan de poli thoraxchirurgie.

Extracorporale circulatie

De klinisch perfusionist is een specialist op het gebied van kunstmatige bloedcirculatie en bloedbehandeling. De perfusionist heeft een belangrijke rol bij operaties aan aangeboren en verworven hartaandoeningen bij volwassenen en kinderen. Met behulp van geavanceerde apparatuur worden hart- en longfuncties overgenomen.

Perfusionisten verlenen indien nodig, met behulp van apparatuur, kunstmatige ondersteuning van het hart en/of de longen op de intensive care.

Tijdens openhartoperaties worden hart en longen stilgelegd en worden met behulp van de hartlongmachine de vitale functies in stand gehouden. De perfusionist controleert gedurende de operatie alle belangrijke waarden betreffende de bloedcirculatie, zuurstofvoorziening, temperatuur, bloeddruk en antistolling.

Voorafgaand aan de operatie bereidt de perfusionist zich voor door de relevante patiëntgegevens door te nemen. Op basis van de patiëntgegevens worden individuele aanpassingen in het systeem en het te voeren beleid gemaakt.  

Intensive Care

De eerste periode na de operatie verblijft u op de Intensive Care. Daar wordt u nog enige tijd onder narcose gehouden om te zien of er geen complicaties zijn waarvoor u bijvoorbeeld terug naar de OK zou moeten. Wanneer blijkt dat er geen (te verwachte) problemen zijn, zal de toediening van narcosemedicatie worden gestopt en komt u langzaam bij.

De eerste keer dat u uw ogen opendoet, ziet u nog niet veel. Alles om u heen is vaag. Uw keel kan wat rauw aanvoelen, doordat u tijdens de operatie een buisje voor de beademing in uw keel heeft gehad. U zult merken dat u langzaam praat en soms moeite heeft om uit uw woorden te komen. Dit komt door de narcose.

Met behulp van verschillende apparatuur wordt u geobserveerd. Naast de observatie-apparatuur -voor bijvoorbeeld hartritme, hartfunctie en bloeddruk- heeft de chirurg aan het einde van de operatie slangetjes (drains) achtergelaten in de borstkas om bloed/overtollig wondvocht en lucht af te zuigen. Tevens wordt er zuurstof toegediend via een slangetje in de neus, heeft u meerdere infusen, en een slangetje in de blaas om urine af te voeren en te meten (urinekatheter). Soms kunnen mensen na de operatie verward en gedesoriënteerd zijn. Dit kan gepaard gaan met motorische onrust. Dit is van voorbijgaande aard.

Verpleegafdeling

Afhankelijk van de operatie en het verloop van uw herstel zult u één of meerdere dagen op de Intensive Care blijven. Hierna zult u teruggaan naar de Verpleegafdeling. U wordt op de verpleegafdeling behandeld door een physician assistant of arts-assistent (zaalarts). Deze komt dagelijks langs in de ochtend. 

Zodra u weer op de afdeling bent, begint u zo snel mogelijk met een normaal leefritme. U start met mobilisatieoefeningen onder begeleiding van een fysiotherapeut en een verpleegkundige. U kunt bijvoorbeeld vrij snel uzelf weer wassen, voorzichtig oefeningen doen en lopen.

Afhankelijk van de operatie zullen er regelmatig onderzoeken plaatsvinden om bijvoorbeeld het hartritme (ECG), de functie van het hart en de (eventueel gerepareerde of vervangen) kleppen (echo) of de conditie van de longen (röntgenfoto) te beoordelen. Tevens zal er regelmatig bloed worden afgenomen voor onderzoek. Eén of twee dagen na de operatie worden de drains verwijderd. Na het verwijderen van de drains blijven de hechtingen zitten; deze kunnen na 8 dagen worden verwijderd. Bent u inmiddels uit het ziekenhuis ontslagen, dan kunt u de hechtingen bij de huisarts laten verwijderen. De operatiewond is gehecht met zelfoplossend hechtmateriaal. Soms is er enige zwelling van de operatiewond, met name aan de bovenzijde. Dit verdwijnt geleidelijk na een aantal weken.

Het wondgebied geeft meestal weinig pijnklachten. De meeste mensen ervaren een gevoel van spierpijn. Vaak heeft u meer last van hoesten, wat pijnklachten kan geven. Tijdens de opname leren de verpleegkundigen en fysiotherapeuten hoe u hiermee om kunt gaan.

Samen met de fysiotherapeut gaat u ademhaling- en mobilisatieoefeningen doen. Verder helpt de fysiotherapeut met het ophoesten van slijm. Na een aantal dagen gaat u ook naar de oefengroep om verder conditie op te bouwen.

Nazorg

Na ontslag uit het ziekenhuis zullen de verdere controles plaatsvinden bij uw eigen cardioloog of longarts. Hij neemt de behandeling vanaf dat moment weer over. Bij specifieke groepen patiënten, bijvoorbeeld na operaties aan de aorta (grote lichaamsslagader) of indien er aan bepaalde wetenschappelijke onderzoeken is meegedaan, kan het voorkomen dat u wordt gevraagd om ook voor poliklinische controles in het LUMC terug te komen.

Tevens zullen op de polikliniek patiënten worden teruggezien en behandeld voor postoperatieve problemen waarvoor geen opname in het ziekenhuis noodzakelijk is, bijvoorbeeld bij postoperatieve lokale wondproblemen.

Revalidatie

Eenmaal thuis, zult in het begin nog niet fit zijn. U bent waarschijnlijk snel moe en kortademig en u heeft weinig zin om iets te doen. Dit is een normaal verschijnsel na dit soort operaties. De revalidatie duurt enige maanden en verloopt in een langzaam stijgende lijn, waarbij u goede en minder goede dagen zult hebben. U zult merken dat de kortademigheid geleidelijk afneemt bij het rustig uitbreiden van de activiteiten.

Het is de bedoeling dat u zo snel mogelijk weer in uw oude ritme komt. Het is niet nodig om uw bed in de huiskamer neer te zetten. Ook ’s ochtends lang in bed liggen en ’s avonds vroeg naar bed gaan is niet nodig. U begint met activiteiten die u gemakkelijk aankunt. De zwaarte en de duur van de activiteiten kunt u geleidelijk aan opvoeren. U kunt steeds uitproberen tot hoe ver u kunt gaan zonder overmatig moe of kortademig te worden.

Na ongeveer 2 weken komt u bij uw eigen cardioloog voor controle. Hij/zij zal de medicijnen die u gebruikt indien nodig aanpassen en u aanmelden voor een hartrevalidatieprogramma. Dit begint na ongeveer 6 weken, het borstbeen is dan goed genezen. Het hartrevalidatieprogramma gebeurt poliklinisch en bestaat uit (interactieve) voorlichting en fysiotherapie. Indien nodig kan psychologische ondersteuning ook deel uitmaken van het hartrevalidatieprogramma.

In een aantal bijzondere gevallen kan het nodig zijn om klinisch te revalideren, dit wil zeggen dat u dan voor enkele weken wordt opgenomen in een revalidatiecentrum.

Verregaande samenwerking tussen kinderchirurgen Amsterdam UMC en kinderhartchirurgen CAHAL

De al langer bestaande uitstekende samenwerking tussen kinderchirurgen Amsterdam UMC en kinderhartchirurgen CAHAL is verder geformaliseerd. Kinderchirurgen van het Amsterdam UMC hebben aanstellingen in het LUMC, bestaande protocollen zijn vernieuwd en nieuwe protocollen zijn toegevoegd. Dit alles in nauwe samenwerking met de afdelingen intensive care kindergeneeskunde, kindercardiologie en kindergeneeskunde.

Behandeling van abdominale complicaties rond kinderhartchirurgie is nu nog beter geborgd in het LUMC. Opvang van kinderen met multiple aangeboren afwijkingen wordt in nauwe samenwerking gedaan. Hierbij spelen de specialisten van foetale diagnostiek en foetale interventies een belangrijke rol.

Kinderchirurgische behandeling van afwijkingen van de longen, thoraxwand en mediastinum wordt in dit samenwerkingsverband geconcentreerd op locatie LUMC. Chirurgische behandeling van de lagere luchtwegen was al op locatie LUMC in coöperatie met het Amsterdam UMC trachea-team. In dit trachea-team werken kinderlongartsen, kinder-KNO-artsen, anesthesiologen, kinderintensivisten, kinderchirurgen en kinderhartchirurgen van Amsterdam UMC en LUMC nauw samen.

Lees wat de samenwerking tussen de kinderchirurgen Amsterdam UMC en kinderhartchirurgen CAHAL kan betekenen voor patiënten in onderstaand nieuwsbericht:

Pacemaker

(Biventriculaire) pacemakerimplantatie

Het ritme waarmee het hart samenknijpt, oftewel de hartfrequentie, wordt vanuit de zogenaamde sinusknoop van het hart gereguleerd. Het elektrische signaal dat hierdoor ontstaat wordt eerst aan de boezems en vervolgens via een geleidingssysteem -de AV-knoop- doorgegeven aan de kamers van het hart. Als de sinusknoop niet goed werkt, kan het hartritme te snel of (met name) te langzaam worden: dit heet een impulsstoornis. Het elektrische geleidingssysteem van het hart kan ook minder goed werken: dit wordt een geleidingsstoornis genoemd.

Pacemaker

Een minder goed werkend geleidingssysteem kan leiden tot een traag hartritme, een bradycardie, of in sommige gevallen een hartstilstand. Een duizelig gevoel en flauwvallen kunnen hierbij voorkomen. Soms is dit een tijdelijk probleem, maar het kan ook blijvend zijn. Met een pacemaker kan het hartritme kunstmatig worden gestimuleerd en de geleiding worden overgenomen.

De draden van een pacemaker kunnen met de boezems en ook met de kamers van het hart verbonden worden. De pacemaker meet de elektrische activiteit en geeft zo nodig een elektrisch signaal af. Wanneer er sprake is van hartfalen en de kamers van het hart niet synchroon functioneren, kan door middel van twee draden (de biventriculaire pacemaker) naar beide hartkamers de pompkracht van het hart worden verbeterd. Deze wordt gebruikt bij de zogeheten resynchronisatie therapie (CRT).

De cardioloog bepaalt aan de hand van het aanwezige ritme of de geleidingsstoornis welk soort pacemaker voor u geschikt is

Voorbereiding

U wordt voor een pacemakerimplantatie twee dagen opgenomen in het ziekenhuis.

Wanneer u antistollingsmedicatie gebruikt, zoals Marcoumar en Sintrommitis, moet u de trombosedienst op de hoogte stellen van uw opname. De hoeveelheid bloedverdunners die u inneemt zal mogelijk moeten worden aangepast.

Op de dag zelf moet u nuchter zijn. Dit wil zeggen dat u tenminste vier uur voor het onderzoek niets meer mag eten of drinken. Meestal krijgt u ’s ochtends nog een licht ontbijt bestaande uit twee beschuitjes en een kopje thee.

De behandeling

Het plaatsen van de pacemaker vindt plaats op de Hartkatheterisatieafdeling. Als u op de behandeltafel ligt wordt u afgedekt met een steriel laken. Hier krijgt u ECG-stickers op uw borst geplakt zodat het hartritme in de gaten kan worden gehouden.

De pacemaker wordt meestal links of rechts onder de huid van de borstkas onder het sleutelbeen geplaatst. Deze plek wordt eerst gedesinfecteerd en daarna lokaal verdoofd. Via de bloedvaten in de borst worden eerst onder röntgendoorlichting de benodigde pacemakerdraden, de leads, naar het hart geleid. Vervolgens wordt de pacemaker onder de huid geplaatst en worden de draden vastgeschroefd. Hierna kan de wond worden dichtgehecht.

Het plaatsen van de pacemaker duurt ongeveer anderhalf uur. Voor een biventriculaire pacemaker, waarbij drie draden nodig zijn, is meer tijd nodig.

Na de behandeling

De pacemaker wordt vervolgens doorgemeten en daarna kunt u terug naar de afdeling. De volgende dag wordt de pacemaker nogmaals gecontroleerd en zal er een röntgenfoto worden gemaakt om de ligging te controleren en om te kijken of er geen complicaties zijn opgetreden.

U moet uw arm na de plaatsing gedurende zes weken zo min mogelijk belasten om de pacemaker en draden goed te laten hechten. Zwaar tillen is niet mogelijk en u mag de arm niet boven schouderhoogte gebruiken. De wond kan vaak nog pijnlijk aanvoelen en er kan een bloeduitstorting zichtbaar zijn.

Wanneer u naar huis gaat, moet u de wond de eerste tijd goed in de gaten houden. Als deze dik wordt, opengaat of ontsteekt moet u contact opnemen met het ziekenhuis.

Als u een pacemaker heeft blijft u regelmatig voor controle komen bij de pacemakertechnicus. Deze controleert of het apparaat nog goed werkt en de batterij nog voldoende energie heeft. Na ongeveer 6 tot 8 jaar is de batterij vaak op en moet de pacemaker vervangen worden.

Als u een pacemaker heeft moet u in het vervolg rekening houden met eventuele straling, zoals detectiepoortjes op een luchthaven. U mag geen MRI onderzoek meer ondergaan.

Overlast en complicaties

De pacemaker implantatie is een kleine operatieve ingreep. Door lokale verdoving is het onderzoek niet pijnlijk, u dient wel enige tijd stil te liggen. Tijdens het onderzoek kunt u overslagen van het hart voelen.

Na de implantatie kunt u de arm aan de zijde waar de pacemaker zit enige tijd niet gebruiken.

De risico’s van de ingreep zijn klein. Er bestaat een kans dat een klaplong, een pneumothorax, ontstaat. Dit wordt met een röntgenfoto gecontroleerd. Ook kan de pacemakerwond bloeden waardoor deze dik wordt of een grote bloeduitstorting veroorzaakt. Er is een kleine kans dat de pacemaker of wond ontsteekt waardoor er een extra behandeling met antibiotica nodig is en de pacemaker eruit moet. Tot slot kan ook het opvoeren van de pacemakerdraden voor enige schade aan de hart zorgen.

Als u zwanger bent, moet u dit van tevoren aangeven. Tijdens het ingreep wordt namelijk gebruik gemaakt van röntgenstraling die niet voor u schadelijk is maar wel voor het ongeboren kind.

Mocht u na het lezen van deze informatie nog vragen hebben, neemt u dan gerust contact met ons op.

ICD-implantatie

Een ICD is een inwendige hartdefibrillator. Wanneer er zich een kwaadaardige ritmestoornis van de kamers van het hart voordoet, wordt dit door de ICD waargenomen. Deze geeft vervolgens een schok af aan het hart waardoor de ritmestoornis wordt onderbroken en het eigen hartritme kan worden hersteld. Een hartstilstand door kamerfibrilleren, een veel voorkomende oorzaak, kan dan gereguleerd worden voordat er schade optreedt. 

Wanneer u een verhoogde kans heeft op het optreden van kamerritmestoornissen of wanneer u deze eerder heeft meegemaakt, komt u in aanmerking voor een ICD.

Implantatie van een ICD kan worden gecombineerd met een biventriculaire pacemaker. Er wordt in dat geval een extra pacemakerdraad geplaatst naar de linkerhartkamer om het synchroon samenknijpen van beide hartkamers te stimuleren en daarmee de pompkracht van het hart te verbeteren.

Voorbereiding

U wordt voor een ICD-implantatie twee dagen opgenomen in het ziekenhuis. Wanneer u antistolling gebruikt, zoals de medicijnen Marcoumar en Sintrommitis, moet u de trombosedienst op de hoogte stellen van uw opname. De hoeveelheid bloedverdunners die u inneemt zal mogelijk moeten worden aangepast.

Op de dag zelf moet u nuchter zijn. Dit wil zeggen dat u tenminste vier uur voor het onderzoek niets meer mag eten of drinken. Meestal krijgt u ’s ochtends nog een licht ontbijt bestaande uit twee beschuitjes en een kopje thee

De behandeling

Het plaatsen van de ICD vindt plaats op de Hartkatheterisatieafdeling. Als u op de behandeltafel ligt, wordt u afgedekt met een steriel laken. Hier krijgt u ECG-stickers op uw borst geplakt waarmee het hartritme in de gaten kan worden gehouden.

De ICD wordt meestal links of rechts onder de huid van de borstkas onder het sleutelbeen geplaatst. Deze plek wordt eerst gedesinfecteerd en daarna lokaal verdoofd. Via de bloedvaten in de borst worden eerst onder röntgendoorlichting de benodigde draden, de shock-leads, naar het hart geleid. Vervolgens wordt het ICD-kastje onder de huid geplaatst en de draden vastgeschroefd. Hierna kan de wond worden dichtgehecht. Het plaatsen van de ICD duurt ongeveer anderhalf uur. Voor een biventriculaire pacemaker, waarbij drie draden nodig zijn, is meer tijd nodig.

De ICD wordt vervolgens doorgemeten en de shockfunctie gecontroleerd. U wordt hiervoor kortdurend in slaap gebracht. Daarna kunt u terug naar de afdeling.

Na de behandeling

De dag na de implantatie wordt de ICD nogmaals gecontroleerd en zal er een röntgenfoto worden gemaakt om de ligging te controleren. Tevens wordt gekeken of er geen complicaties zijn opgetreden.

Uw arm dient u na de plaatsing gedurende zes weken zo min mogelijk te belasten om de pacemaker en draden goed te laten hechten. Zwaar tillen is niet mogelijk en u mag de arm niet boven schouderhoogte gebruiken. De wond kan vaak nog pijnlijk aanvoelen en er kan een bloeduitstorting zichtbaar zijn. Wanneer u naar huis gaat, moet u de wond de eerste tijd goed in de gaten houden. Als deze dik wordt, opengaat of gaat ontsteken, moet u contact opnemen met het ziekenhuis.

Als u een ICD heeft, blijft u regelmatig voor controle komen bij de pacemakertechnicus. Deze controleert of het apparaat nog goed werkt en de batterij nog voldoende energie heeft. Na ongeveer 5 jaar is de batterij vaak op en moet de ICD vervangen worden.

Als u een ICD heeft, moet u in het vervolg rekening houden met eventuele straling, zoals detectiepoortjes op een luchthaven.

Indien u een MRI-onderzoek moet ondergaan, dient u eerst met uw cardioloog te overleggen. 

U mag na een ICD-implantatie de eerste 2 maanden geen autorijden. Daarna moet uw rijbewijs opnieuw aangevraagd worden. Ook na elke afgegeven shock geldt dat u 2 maanden niet mag rijden. Beroepsmatig vervoer kan met een ICD slechts gelimiteerd plaatsvinden. 

Overlast en complicaties

De ICD-implantatie is een kleine operatieve ingreep. Door lokale verdoving is het onderzoek niet pijnlijk, u dient wel enige tijd stil te liggen. Tijdens het onderzoek kunt u overslagen van het hart voelen.

Na de implantatie kunt u de arm aan de zijde waar de ICD zit enige tijd niet gebruiken.

De risico’s van de ingreep zijn klein. Er bestaat de kans op een klaplong, een pneumothorax.  Dit wordt met een röntgenfoto gecontroleerd. Ook kan de wond bloeden waardoor deze dik wordt of een grote bloeduitstorting veroorzaakt. Er is een kleine kans dat de ICD of wond ontsteekt waardoor er een extra behandeling met antibiotica nodig is en het apparaat verwijderd moet worden. Tot slot kan ook het opvoeren van de draden voor enige schade aan de hart zorgen.

Als u zwanger bent, moet u dit van tevoren aangeven. Tijdens het ingreep wordt namelijk gebruik gemaakt van röntgenstraling die voor uzelf niet schadelijk is, maar wel voor het ongeboren kind.

Mocht u na het lezen van deze informatie nog vragen hebben, neemt u dan gerust contact met ons op. 

Voor verdere informatie over de ICD kunt u terecht bij de Nederlandse Hartstichting of de Stichting ICD dragers Nederland (STIN).